Gelukzak

Marie-Ann de Cocker
Dinsdag na de zesde week van Pasen

Gelukzak
Hand, 20,1-38

Toen het tumult bedaard was, riep Paulus de leerlingen bij elkaar en bemoedigde hen; daarna nam hij afscheid en ging hij op weg naar Macedonië.  Op zijn tocht door dat gebied bemoedigde hij hen met menige toespraak en zo kwam hij in Griekenland.  Daar bleef hij drie maanden. Juist toen hij wilde afvaren naar Syrië, beraamden de Joden een aanslag op hem; daarom besloot hij terug te keren via Macedonië.

Hij werd vergezeld door Sopatros, de zoon van Pyrrus, uit Berea, Aristarchus en Secundus uit Tessalonica, Gajus uit Derbe, Timoteüs, en Tychikus en Trofimus uit Asia.  Zij reisden vooruit en bleven in Troas op ons wachten;  maar wij voeren na de dagen van de ongedesemde broden weg uit Filippi en voegden ons na vijf dagen bij hen in Troas, waar we zeven dagen doorbrachten. Toen zij op de eerste dag van de week waren samengekomen om het brood te breken, sprak Paulus, die de volgende dag zou vertrekken, hen toe en bleef tot midden in de nacht aan het woord.  Er brandden veel lampen in de bovenzaal waar wij bijeen waren.  Een jongeman, Eutychus geheten, zat in de raamopening. Toen Paulus almaar doorging met zijn toespraak, raakte hij bevangen door een diepe slaap. Overmand door slaap viel hij van de derde verdieping naar beneden; toen men hem oppakte bleek hij dood te zijn.  Paulus kwam naar beneden en ging op hem liggen. Hij sloeg zijn armen om hem heen en zei: ‘Wees maar niet ongerust. Hij leeft nog.’  Hij ging weer naar boven, brak het brood en at en sprak nog langdurig, tot het dag werd, en toen vertrok hij.  Ze brachten de jongen levend en wel weg en werden niet weinig bemoedigd.  Wij scheepten ons in en voeren alvast naar Assus, waar we Paulus aan boord zouden nemen. Zo had hij het geregeld, omdat hij zelf te voet wilde gaan. Toen hij ons weer trof in Assus, namen we hem aan boord en gingen naar Mitylene.  Vandaar voeren we de volgende dag weer weg en kwamen we ter hoogte van Chios; weer een dag later bereikten we Samos en na nog een dag kwamen we in Milete aan.  Want Paulus had besloten Efeze voorbij te varen om geen tijd in Asia te verliezen. Hij had haast omdat hij zo mogelijk met Pinksteren in Jeruzalem wilde zijn.  Van Milete uit stuurde hij een bode naar Efeze om de oudsten van de gemeente bijeen te roepen.  Toen die bij hem gekomen waren, zei hij tegen hen: ‘U weet hoe ik mij heb gedragen vanaf de eerste dag dat ik in Asia kwam, de hele tijd dat ik bij u was:  ik heb de Heer in alle nederigheid gediend, onder tranen en beproevingen die de Joden mij door hun aanslagen hebben bezorgd.  U weet ook dat ik niets wat nuttig kon zijn heb nagelaten u te verkondigen en te leren, in het openbaar en bij u aan huis:  tegenover Joden en Grieken heb ik getuigd van de bekering tot God en van het geloof in onze Heer Jezus.  Welnu, thans ben ik, gebonden door de Geest, op weg naar Jeruzalem, zonder te weten wat mij daar zal overkomen;  alleen verzekert de heilige Geest mij van stad tot stad dat mij boeien en ellende te wachten staan.  Maar aan mijn leven hecht ik voor mijzelf niet de minste waarde, als ik mijn loopbaan maar kan voltooien en de taak kan vervullen die ik van de Heer Jezus ontvangen heb: de verkondiging van de goede boodschap van Gods genade.  Welnu, ik weet dat niemand van u die ik op mijn reizen het koninkrijk gepredikt heb, mij terug zal zien.  Daarom betuig ik vandaag tegenover u dat ik geen schuld heb aan het bloed van wie dan ook;  want ik heb niet nagelaten u het plan van God in zijn geheel te verkondigen.  Zorg goed voor uzelf en voor heel de kudde waarover de heilige Geest u als leiders heeft aangesteld om de kerk van God te weiden, die Hij door het bloed van zijn eigen Zoon heeft verworven.  Ik weet dat na mijn vertrek gevaarlijke wolven bij u zullen binnendringen die de kudde niet sparen;  zelfs mensen uit uw eigen kring zullen de waarheid gaan verdraaien om de leerlingen achter zich aan te krijgen.  Wees daarom op uw hoede en houd in gedachten dat ik drie jaar lang dag en nacht onophoudelijk iedereen onder tranen gewaarschuwd heb.  En nu draag ik u op aan God en aan het woord van zijn genade, dat bij machte is om op te bouwen en het erfdeel te geven, met alle geheiligden.  Zilver of goud of kleding heb ik van niemand verlangd;  u weet zelf dat deze handen in mijn eigen behoeften en die van mijn metgezellen hebben voorzien.  In alles heb ik u laten zien dat men zo, door hard te werken, de zwakken moet helpen, gedachtig de woorden van de Heer Jezus, die zelf heeft gezegd: “Het is zaliger te geven dan te ontvangen.” ’  Na deze woorden knielde hij met hen allen neer en sprak een gebed.  Ze begonnen allen luid te snikken, vielen Paulus om de hals en kusten hem, vooral bedroefd omdat hij gezegd had dat ze hem niet meer terug zouden zien. Daarna deden ze hem uitgeleide naar het schip.

 

 

 


© Dominicains de Belgique 2019
Mentions légales
webmaster@dominicains.tv